Leg de kaarten neer op een rij en vraag de
kinderen goed te kijken. Daarna doen ze hun ogen dicht, je pakt
een kaart weg en de kinderen moeten zeggen welke kaart weg is.
Leg de kaarten neer. Noem 3 of 4
woordkaarten en laat de kinderen de kaarten neerleggen in de
volgorde zoals jij het genoemd hebt.
Leg de woordkaarten op de mat neer en beschrijf een klok. De
kinderen wijzen het plaatje aan waarvan zij denken dat jij deze
hebt beschreven. Probeer de kinderen ook een beurt te geven en
een plaatje te laten beschrijven.
Activiteit 2
Speelzaal:
Neem voor deze spelles 12 hoepels en leg ze in een grote
cirkel neer, net zoals een klok. Maak cijferkaarten van 1 t/m 12
en leg de boven of in de hoepels. Plak ze eventueel met plakband
vast. Neem een trom en roep: alle meisjes met staarten luister
goed. Sla een aantal keer op de trom en alle meisjes met
staarten lopen naar de hoepel met dat cijfer. Zeg daarna dat het
een uur later is, naar welke hoepel moeten ze dan? Roep
vervolgens een andere groep met kinderen, let daarbij op fysieke
kenmerken of overeenkomsten in kleding.
Neem een lang kind en een kleiner kind. Het lange kind
strekt zichzelf uit in de richting van de twaalf en het andere
kind gaat liggen in de richting van een cijfer op uw aangeven.
De kinderen zeggen vervolgens hoe laat het is.