Terug naar Vriendjes

Vriendjes kringactiviteiten

 

Woordkaarten:

  • Gebruik de woordkaarten van dit thema en laat de kinderen ze sorteren. Vraag aan de kinderen waarom deze kaarten bij elkaar horen.
  • Geef een beschrijving van een woordkaart en laat de kinderen raden.
  • Leg de kaarten neer op een rij en vraag de kinderen goed te kijken. Daarna doen ze hun ogen dicht, je pakt een kaart weg en de kinderen moeten zeggen welke kaart weg is.
  • Leg de kaarten neer. Noem 3 of 4 woordkaarten en laat de kinderen de kaarten neerleggen in de volgorde zoals jij het genoemd hebt.

 

 

Kringactiviteiten n.a.v. het boek “wil jij mijn vriendje zijn”

Je kunt bij aanvang van het thema vriendjes uitstekend beginnen met het boek “Wil jij mijn vriendje zijn” van Eric Carle. Het boek gaat over een kleine muis die op zoek is naar een vriendje en allerlei verschillende dieren de vraag stelt “wil jij mijn vriendje zijn?” Op alle bladzijdes zie je steeds een staart uitsteken en kan je laten raden welk dier er op de volgende bladzijde staat. Alle dieren in het boek slaan het aanbod af voor verschillende redenen maar uiteindelijk vindt kleine muis toch zijn vriendje. Aan het eind van het boek blijkt dat er nog één dier overgeslagen is en we komen zelfs Rupsje Nooitgenoeg nog even tegen.

Het is erg leuk om na het voorlezen het boek nog eens helemaal door te bladeren. Je kunt verschillende vragen stellen achteraf.

  • Wat vond jij het leukste dier?
  • Met welk dier zou jij graag vriendjes willen zijn en waarom?
  • En met welk dier zou je geen vriendjes willen zijn?
  • Vraag voor het omslaan van de bladzijde welk dier er nu zou komen.

Pak de volgende dag het boek nog eens op en stel de kinderen de volgende vraag ter introductie van de activiteit:

  • Welke dieren kwamen er allemaal in het boek voor? Neem de woordkaarten van het boek erbij. Leg voor elk dier dat de kinderen noemen een fiche neer op de mat.
  • Lees dan het boek nog eens voor en leg wederom een fiche neer bij het dier dat genoemd is. Als een dier niet genoemd is maar wel in het boek voorkomt, leg je toch een fiche neer. Hoeveel dieren kwamen er in het boek voor en hoeveel dieren hadden de kinderen opgenoemd? Is dat evenveel, meer of minder?

Een andere activiteit met het boek en de woordkaarten:

Groot – klein

  • In het boek komen veel verschillende dieren voor. Je kunt met de kinderen de dieren in grote vergelijken. De muis is groter dan de rups, maar de zeeleeuw is groter dan de muis. Welk dier komt er nu op de volgende blz? Zal die groter zijn dan de zeeleeuw?
  • Neem daarna de kaarten en leg ze op een willekeurige volgorde neer. Laat de kinderen bepalen welk dier het kleinste is en leg deze vooraan in de rij. Zo krijg je een rij van klein naar groot. Natuurlijk kan je ook met het grootste dier beginnen. Belangrijk is dat de kinderen niet naar de grootte van de plaatjes kijken maar proberen te bedenken vanuit hun voorkennis of het dier groter of kleiner is.
  • Je kunt ook per 2 kaarten bepalen of een dier groter of kleiner is. Je kunt dan de kinderen gebruik laten maken van de volgende symbolen < >

Laat de kinderen een bladzijde uit het boek namaken. Kijk bij knutselen op het platte vlak voor enkele voorbeelden. Als elke kind een andere bladzijde maakt, dan kan je het boek met de kinderen namaken.

Op de downloadpagina van dit thema kun je alle dieren die in het boek voorkomen als activiteitenplaat downloaden.

Raadsels n.a.v. het boek:

  1. Ik ben klein, ik kruip, en ik eet mijn buik helemaal rond. (rups)
  2. Ik ben lui, ik heb manen en ben heel gevaarlijk. (leeuw)
  3. Ik kruip, ik sis en ik rijm op lang. (slang)
  4. Ik vlieg, kan mooi zingen en ik woon in een nest. (vogel)
  5. Ik ben groot, grijs, en dik en zwem graag. (nijlpaard)
  6. Ik spring als de beste, en heb een buidel. (kangoeroe)
  7. Ik heb een lange nek en lange poten en kan heel goed bij het hoogste blaadje in de boom. (giraf)
  8. Ik heb geen poten maar benen en als ik ren heet dan galop. (paard)
  9. Ik ben lang met scherpe tanden, schubben en ik rijm op bil. (krokodil)
  10. Ik heb een lange pluizige staart, woon in het bos en ik ben een slim dier. (vos)
  11. Ik heb de mooiste staart van allemaal, ik heb veren en woon op de kinderboerderij. (pauw)
  12. Ik kan goed klimmen, heb een lange staart en ik rijm op schaap. (aap)
  13. Ik ben klein, zeg piep en ben op zoek naar een vriendje. (muis)

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.jufsanne.com/thema/vriendjes/vriendjes-kringactiviteiten/