Montessori

     
 

Roze toren.

De roze toren bestaat uit 10 massieve roze kubussen, de afmetingen zijn opklimmend van 1 kubieke cm tot 1000 kubieke cm.

Het doel van het werken met de roze toren:

  • het oog als het ware "opvoeden" door het onderscheiden van verschillende afmetingen.

  • motorische activiteit: ontwikkeling van spieren in de hand, arm, het hele lichaam. Het werken op de mat eist van het kind veel spierbeweging. Een jong kind heeft hieraan veel behoefte.

  • het coördineren van de bewegingen.

  • de aandacht wordt systematisch geordend en gericht.

  • oefeningen van het spiergeheugen. (een kind onthoudt dat een groot blok zwaar is).

  • intense aandacht, zichtbare inspanning

  • ontwikkeling van gevoel voor harmonie van de toren. verbetering door herhaling.

De controle van de roze toren is zintuiglijk. Het geoefende oog en het langs de randjes van de toren voelen.

Introductie van de roze toren in de kring:

Bij voorkeur een groen of bruin mat de blokken laten neerleggen. De blokken worden 1 voor 1 gedragen, ook de kleintjes.  De juf of de kinderen verspreiden de toren over de mat en zet de grootste in het midden. (Eerst gaat de juf de toren opbouwen en ze pakt ze met één hand vast. Als de toren staat, dan breekt de juf deze weer af door één voor één de blokken er weer af te halen). Maar ik zal zelf de kinderen gelijk aan de gaan laten gaan. Je zegt: " Wie ziet de grootste, en welke is dan de grootste"? Etc, net zolang tot de toren af is.

Als een kind fouten maakt dan is het materiaal voor hem juist geschikt! Als een kind niet goed met het materiaal omgaat, en een waarschuwing helpt niet dan laat je het wel opruimen.

Begrippen:

groot - klein
eerste - laatste
grootste - kleinste

Oefeningen en spelletjes.

  • Je kan de toren ook zijwaarts op de mat neerleggen. Haal een aantal blokken uit de reeks, zonder dat de kinderen kijken. Vraag aan de kinderen of ze de blokken weer op het juiste plekje terug willen leggen.

  • Maak samen met de bruine trap een reeks. De dikste van de bruine trap, de grootste van de roze toren etc.

  • Bouw de toren op, neem een blok eruit zonder dat de kinderen het zien. 1 kind moet aanwijzen waar de blok eruit is.

  • Geblinddoekt de toren opbouwen.

  • 10 kinderen hebben een blok op hun rug, vraag steeds wie heeft de grootste, en wie heeft nu de grootste?

     
  Bruine trap

 

   

 

  De bruine trap bestaat uit 10 massieve bruin geverfde houten prisma's. Ze zijn 20 cm lang, en de dwarsdoorsnede neemt af van 10 tot 1 cm.

Het werken met de bruine trap is moeilijker dan de roze toren. Ook vraagt het gebruik van het materiaal meer van de motoriek van de kleuter.

Het doel van het werken met de bruine trap:

  • het oog als het ware "opvoeden" door het onderscheiden van verschillende afmetingen.

  • motorische activiteit: ontwikkeling van spieren in de hand, arm, het hele lichaam. Het werken op de mat eist van het kind veel spierbeweging. Een jong kind heeft hieraan veel behoefte.

  • het coördineren van de bewegingen.

  • de aandacht wordt systematisch geordend en gericht.

  • oefeningen van het spiergeheugen. (een kind onthoudt dat een groot blok zwaar is).

  • intense aandacht, zichtbare inspanning

  • ontwikkeling van gevoel voor harmonie van de toren. verbetering door herhaling.

Begrippen:

dik - dun
dikker - dunste
dunner - dikste

introductie van de bruine trap in de kring:

Het werken met de bruine trap gaat eigenlijk altijd samen met het werken met de roze toren. Eerst maakt een kind de roze toren, dan de bruine trap en dan maakt het kind een reeks van de twee samen. De introductie van de bruine trap verloopt vrijwel het zelfde als de roze toren. Het grote verschil is dat de bruine trap niet rechtop staat, maar echt als een trap ligt. Begin bij de bruine trap met de dikste! Let op: gebruik dus niet de begrippen groot - klein bij de bruine trap, maar dik - dun.

Bij de bruine trap kan je dezelfde oefeningen en spelletjes gebruiken als bij de roze toren.

     
  Rode stokken

De rode stokken bestaan uit 10 stokken met een dwars doorsnede van vier cm. De lengte klimt op van 10 cm tot 1 meter.

Het doel van het werken met de rode stokken:

  • hetzelfde als de roze toren en bruine trap.
  • het werken met de rode stokken is een voorbereiding van de rekenstokken wat aantal en afmeting betreft.

Behalve de variaties met rode stokken afzonderlijk, kunnen ze ook gecombineerd worden met de roze toren en de bruine trap.

Begrippen:

lang - kort
langer - korter
langste - korste

Oefeningen en spelletjes.

  • een willekeurige stok neerleggen, en zoek er twee die samen even lang zijn, dan laat je die liggen en ga je door, net zolang tot er één overblijft.
  • twee willekeurige stokken neer leggen aan elkaar en dan met andere stokken eronder passen totdat je dezelfde lengte hebt gevonden.
  • alle stokken zolang maken als de langste.
  • twee even lange rijen maken.

 

 

 
  Rekenstokken

De rekenstokken bestaan uit 10 stokken met een dwars doorsnede van vier cm. De lengte klimt op van 10 cm tot 1 meter. De rekenstokken is eigenlijk een lange trap, waarvan de verschillende staven de getallen van 1 tot 10 voorstellen. Elke stok is afwisselend rood / blauw gekleurd.

Introductie van de rekenstokken in de kring:

We geven aan hoe de trap moet worden neergelegd, namelijk de rode en blauwe segmenten onder elkaar. Dan schuiven we de stok van één naar beneden en zeggen we: dit is één, dan schuiven we de stok van twee naar beneden, enige ruimte latend tussen de stok van één en twee en zeggen we dat is de stok van twee. Kijk maar, één, twee. Zo gaan we door met alle stokken.

Andere manieren van tellen:

  • verticaal tellen op volgorde.
  • verticaal tellen door elkaar.
  • rode en blauwe segmenten onder elkaar tellen, met kleine ruimtes tussen de segmenten.
  • stokken pikken (stokken door elkaar). Je zegt geef aan mij de stok van 6, we controleren met z'n allen door de stukjes (segmenten) te tellen.
  • geef mij eens een stok die een beetje langer is dan deze. (bijvoorbeeld de stok van 2). Juist, de stok van drie is een beetje langer dan de stok van 2. Geef mij er eens die een beetje langer is dan de stok van 3. Juist, de stok van 4 is een beetje langer dan de stok van 3. 4 is meer dan 3. Vanzelf komen we dan ook tot meer en minder, tot 2 meer of 2 minder, 3 meer of 3 minder.

Oefeningen van hoeveelheid met symbool.

Cijfers op plankjes worden verspreid op het kleedje. De stok van 1 wordt onderaan op het kleedje gelegd en we vragen: "welke stok is dit?". Zoek dan de 1 en het kind legt het cijfer 1 op de stok van 1. Dan zoeken we de stok van 2. Het cijfer wordt telkens gelegd op het laatst gekleurde stukje van de stok. Je kan dezelfde oefeningen ook doen met de stokken niet in de juiste volgorde maar door elkaar.

Het splitsen van hoeveelheden.

De stok 1 wordt weggelegd. Tegen de stok van 10 kunnen we leggen de stok van 6 en 4. Tegen de stok van 9 kunnen we leggen de stok van 7 en 2. Tegen de stok van 8 kunnen we leggen de stok van 5 en 3. Of:

10 = 7 + 3
9 = 5 + 4
8 = 6 + 2

De stok van 3 gaat weg.
10 = 6 + 4,             9 = 8 + 1              7 = 5 + 2

Zo kunnen we telkens door een oneven stok weg te halen de verschillende mogelijkheden laten ontdekken. We kunnen hierbij ook de houten uitgezaagde cijfers laten gebruiken.

Sommetjes maken.

Systematische optelling.

De stokken liggen in een trap. de 10 wordt wat naar boven geschoven. De stok van 9 wordt er tegen gelegd en het kind krijgt de opdracht: "maak de stokken gelijk". Tel de eerste 9, leg de 9 er maar bij  (van de uitgezaagde cijfers). Tel de andere stok 1, leg de 1 eronder. 9 erbij 1 is 10. (Let op: altijd erbij / eraf  zeggen en nooit plus / min, plus / min  is te abstract).
De stok van 10 wordt tegen de stok van 8 aangelegd en de stokken worden even lang gemaakt. Zo vervolgens alle sommen van 10. Daarna worden de erbij en eraf tekens ertussen gelegd.

Daar na de willekeurige optellingen. Hiervoor is het nodig dat de kinderen de getallen boven de tien kennen. Daarna 3 stokken op tellen, etc. En voor de echte slimmerds, alle stokken bij elkaar optellen, de som van 55.

Het aftrekken.

We hebben hiervoor nodig een geruit schrijfbordje en krijt. Van alle stokken worden stokken van 10 gemaakt. de stok van 5 doet even niet mee. De juf schuift de twee stokken van 6 en 4 naar in het zicht en vraagt aan het kind: "hoeveel is dit samen". Het kind antwoord na geteld te hebben 10. De juf schrijft het op het bordje. De juf zegt de stok van 4 eraf halend "eraf" en schrijft  -4 in het hokje naast de 10. Hoeveel hebben we er nu afgehaald? Hoeveel hadden we eerst? Hoeveel hebben we nu over. het kind moet dan de stok die overgebleven is tellen. Zijn antwoord moet dan luiden 6. Je schrijft 6 op het bordje. Op het bordje staat dan in totaal 10-4=6. Zo gaan we door totdat alle stokken op zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
  De doosjes met de gekleurde cilinders.

De gekleurde cilinders bestaan uit vier kistjes met gekleurde deksel waarin cilinders van dezelfde kleur zijn opgeborgen. Elke kleur behandelt verschillende begrippen:

rood      dik -dun
geel       groot - klein
blauw    hoog - laag
groen     tegengestelde richting, plat - breed.

Het doel van de cilinders:

  • voor de ontwikkeling van het oog,
  • voor de spieren in de hand en vingertoppen,
  • voor het geheugen en schattingsniveau,
  • voor de ordening en beheersing van de bewegingen.

Oefeningen met de cilinders:

  • naast de cilinders onafhankelijk van elkaar neer te zetten, kan je ze ook nog stapelen als een toren.
  • je kan een kind ook geblinddoekt laten bouwen.
  • Je kan de cilinders combineren:

rode en blauwe cilinders
rode en gele cilinders
gele en blauwe cilinders
rode en groene cilinders

Tenslotte ook nog geel, blauw en rood samen, Dus in een reeks: eerst rood dan geel dan blauwe etc.

10 kinderen krijgen een cilinder en vormen een rij:

van groot naar klein (geel)
van dik naar dun (rood)
van hoog naar laag (blauw)

 

 

   

 

  Kleurspoelen

Er zijn 4 verschillende soorten dozen met kleurspoelen

  1. drieparendoosje, rood - geel - blauw
  2. elfparendoosje: rood, geel, blauw, bruin, grijs, oranje, paars, wit, groen, roze, en zwart
  3. tweeëndertigparendoos: vier paren met rood,  geel, blauw, bruin, grijs, paars, groen, roze. Iedere tint is in 4 nuances.
  4. de nuancendoos: van bovengenoemde acht tinten elke acht nuancen.

Het doel van de kleurspoelen:
 

  • ontwikkeling van het gezichtsvermogen in het onderscheiden van de diverse kleuren en nuances.
  • door het werken met de kleurspoelen wordt de hand opgevoed tot mooie fijne bewegingen (je mag de spoelen alleen aan de witte stukje aan de zijkant vastpakken met één hand.
  • de kleurzin wordt ontwikkeld, door de rangschikking van de kleur in kleurencombinatie, bij het zoeken naar variaties.

Introductie van de kleurspoelen in de kring:

Spoeltjes van de drieparendoos op tafel. Doos in de kast. De juf neemt bijvoorbeeld de rode spoel tussen duim en wijsvinger zodat ze de verf niet aanraakt, je bekijkt het en legt het daarna op tafel of op de mat. Dan zoek je dezelfde. Zo doe je dat ook met de andere. leg de paartjes 2 aan 2 onder elkaar. Vraag aan de kinderen wat je gedaan hebt? En vraag of ze goed gezien hebben hoe je de kleurspoelen vastgepakt hebt.

Na het drieparendoosje komt het elfparendoosje. Deze wordt op dezelfde manier aangeboden. Het kan zijn dat deze te moeilijk is, dan haal je enkele moeilijk te onderscheiden kleuren er snel uit.

Na de elfparendoos komt de tweeëndertig parendoos. De spoelen worden steeds op dezelfde manier uit de doos verwijderd, tussen duim en wijsvinger. Bij de tweeëndertig parendoos kunnen de naamlesje gegeven worden van donker naar licht.

Bij de aanbieding van de nuancedoos leggen de kleurtjes van 1 kleur op de mat en we zeggen: ik zoek de donkerste, en welke van degene die overblijven is nu de donkerste, en welke nu? Net zolang we een reeks hebben van licht naar donker. Het is belangrijk dat je een kind aanmoedigt om nog eens goed te kijken als het een fout maakt, maar het is wel de bedoeling dat het kind de fout zelf ontdekt.

Let op: Laat een kind nooit een parendoos maken, en daarna de nuancedoos ernaast! Als de twee dozen door de war raken, heb je er een hele klus aan, om ze weer goed te krijgen.

Oefeningen en spelletjes:

  • van de elfparendoos van iedere kleur één uitdelen. De andere spoeltjes hou je bij je in de doos. Haal er eentje uit de doos, en leg 'm op de mat. Het kind dat dezelfde kleur heeft, staat op en legt 'm ernaast.
  • alle spoelen van de elfparendoos uitdelen. De kinderen die dezelfde kleur hebben gaan bij elkaar staan.
  • vier paren van een kleur uit de grote parendoos uitdelen. Kinderen eerst bij elkaar laten staan,, daarna op volgorde van nuance gaan staan.
  • van de nuancedoos 1, 2 of 3 rijtjes uitdelen. Kinderen eerst op kleur gaan staan en daarna op reeks.

 

 

 

 

 

 

  Cilinderblokken.

De cilinderblokken bestaan uit vier massieve houten in een natuurlijke houtkleur, maar ze zijn gevernist en mooi glimmend.

Blok 1: groot - klein
Blok 2: dik - dun
Blok 3: hoog - laag
Blok 4: laag - dik - hoog - dun

Het voldoet aan een wezenlijke behoefte van het jonge kind, het vullen van haatjes, waarbij grote mogelijkheden tot herhaling.

Het doel van het werken met de cilinderblokken:

  • de "opvoeding van het oog" tot het leren onderscheiden van verschil en afmeting.
  • de opvoeding van de spieren van vingers, hand en arm.
  • de ontwikkeling van de motorische zin, als het materiaal geblinddoekt gebruikt wordt.

Volgens Maria Montessori is het doel innerlijk, want de bedoeling is niet dat het kind de cilinders zonder fouten op zijn plaats zal zetten, maar wel wel dat het kind zich zou oefenen in het waarnemen, waardoor het komt tot vergelijken. Het vormt zich dan een oordeel, redeneert, en besluit.

Een indirect doel :

Het vastpakken van het knopje is een indirecte voorbereiding voor het later tekenen en schrijven.

Introductie van de cilinderblokken in de kring:

We zetten de cilinderblok zo neer dat het grootste blok voor de kinderen aan de linkerkant staat. De juf laat zien aan de kinderen, hoe ze met de toppen van de duim, wijs en middelvinger de cilinder bij het knopje vast pakt en deze op de tafel zet. Als je de cilinderblokken aanbiedt, begin je altijd met de dikste cilinder. Als je alle cilinders eruit gehaald hebt, ga je ze weer terug doen. Je laat duidelijk zien dat je ze gaat passen. Je pakt bijvoorbeeld de derde cilinder, en past 'm is hij te klein dan probeer je en ander gaatje. Het kind mag gaan helpen zodra het de opdracht begrepen heeft. Je herhaalt dit bij alle cilinderblokken.

Verdere oefeningen variaties of spelletjes:

  • werken met de blinddoek
  • cilinderblok op tafel en cilinders eruit, wijs in de blok een gaatje aan en zeg zoek deze.
  • hetzelfde als bij hiervoor maar nu staat de cilinderblok op een andere tafel als de cilinders.
  • hetzelfde als hiervoor maar dan alle cilinders verspreiden door de klas.
  • je maakt een combinatie van blok 1 en 2, en daarna 1, 2 en 3 en dan 1, 2, 3, en 4.
  • in de vorig genoemde combinatie cilinders eruit en de blokken terug in de kast zodat je en reeks op kan bouwen.
  • uit de reeks een cilinder wegnemen en het kind er tussen laten passen
  • zelfde als hier voor maar dan in plaats van er tussen laten passen, aan laten wijzen. Zonder dat het kind de bewuste cilinder gezien heeft.
  • de laatste twee punten kan je ook geblindoekt doen.

Begrippen:

groot -klein
groter - grootste
kleiner - kleinste

     
  De rekken.

De rekken bestaan uit een verzameling ramen waarop rechthoekige stukken stof en leer zijn bevestigd. Deze kunnen worden dichtgeknoopt, vastgehaakt, met banden worden samen gestrikt, kortom met elkaar verbonden worden op allerlei verschillende manieren, die onze beschaving heeft bedacht om onze kleren, schoenen etc, vast te maken.

De volgende rekken kunnen het kind aangeboden worden:

  • grote knopenrek
  • kleine knopenrek
  • drukkersrek
  • schoenknopen
  • veterrekken (twee soorten)
  • haken en ogen
  • strikkenrek
  • ritssluiting

Het gebruik van deze rekken voldoet aan de behoefte om alles zelf te doen, om alles te doen zoals het hoort, en de behoefte om alle bewegingen en handelingen te herhalen.

Het doel van de rekken is:

  • dat het jonge kind zichzelf leert helpen.
  • tegemoet komen aan de bovenstaande behoeften
  • motorische opvoeding

Knopenrek:

in theorie biedt men ze aan na de cilinderblokken, dan zijn de vingertjes wat los gekomen. het eerste begin van iedere oefening zal zijn het losmaken en uithalen, voorzichtig zijn. Deze oefeningen moeten met de vingers zeer fijn gedaan worden. Is de stof van elkaar dan de randen zodanig neerleggen dat ze elkaar van boven tot onder raken.
Meisjes knoppen van rechts naar links, en jongens knopen van links naar rechts.

Haken en ogen:

dichtmaken van boven naar onder.

Drukknopen:

duim en wijsvinger van de linkerhand houdt de onderste helft van de drukker vast. Die van de andere hand maken hem met zekere spierkracht los.

Gespenrek:

duim en wijsvinger van de rechterhand halen, het riempje omhoog, terwijl duim en wijsvinger van de linkerhand het riempje opschuiven.

Strikkenrek

Dit lesje bestaat uit twee delen:

strikken losmaken
knoop maken

Voor veel kinderen is de herhaling van het knopen leggen nodig, voordat we aan het tweede gedeelte, de strik, beginnen.

 

     
     

JavaScript DHTML Drop Down Menu By Milonic
(c) JufSanne.com lesideeën voor het basisonderwijs, boekentips, versjes, traktatie-ideeën, werkbladen,
stempelkaarten, knutsels, lesidee per thema voor PABO studenten, leraren, juffen, meesters maar ook ouders en kinderen ...