|
|
terug naar lente-index |
|
 |
Kringactiviteiten
Woordkaarten:
- Gebruik de woordkaarten van dit thema en
laat de kinderen ze sorteren. Vraag aan de kinderen waarom deze
kaarten bij elkaar horen.
- Geef een beschrijving van een woordkaart en
laat de kinderen raden.
- Leg de kaarten neer op een rij en vraag de
kinderen goed te kijken. Daarna doen ze hun ogen dicht, je pakt
een kaart weg en de kinderen moeten zeggen welke kaart weg is.
- Leg de kaarten neer. Noem 3 of 4
woordkaarten en laat de kinderen de kaarten neerleggen in de
volgorde zoals jij het genoemd hebt.
- Sorteer de kaarten op dezelfde beginklank.
- Gebruik de echte bloemenwoordkaarten en de
getekende versie en laat de kinderen dezelfde zoeken.
|
|
|
- Gebruik drie vazen met nep of echte bloemen voor
een rekenles. Neem drie verschillende kleuren bloemen en begin door
ze te sorteren op kleur met de jongste kleuters. Vraag aan de
kinderen in welke vaas de meeste bloemen staan en welke de minste. Ga
met de kinderen de bloemen tellen en dan verdelen zodat in elke vaas
evenveel bloemen staan. Breid dit uit afhankelijk van het niveau van
je kinderen.
|
|
|
- Gebruik verschillende soorten bloemen voor een
rekenles. Het liefst drie tot 5 verschillende soorten. Je kan ze ook
door de kinderen van te voren laten maken. Zorg dat er verschillende
kleuren en verschillende soorten en maten zijn. Zorg ook voor 5
vazen en geef elke vaas een nummer. Dit stelt dan de prijs voor.
Geef de kinderen knopen of fiches wat dan geld voorstelt. Geef de
kinderen opdrachtjes, of stel vragen:
- Koop zoveel bloemen als je kan.
- Koop drie verschillende bloemen, en zorg dat
je geld overhoudt.
- Hoeveel van de duurste bloem kan je kopen?
- Heb je genoeg geld om van elke bloem één te
kopen?
- Koop de langste bloem uit de winkel.
- Koop de kleinste bloem uit de winkel.
- Koop een rode en een gele bloem uit de
winkel.
- Hoeveel gele bloemen kan je kopen?
- Koop 2 bloemen en hou geen geld over.
- Als de winkel dicht gaat, kan je tellen
hoeveel geld er uitgegeven is.
Laat steeds 1 kind de koper en 1 kind de verkoper
zijn. Laat ze met elkaar praten zoals je dat in een winkel kan
verwachten. |
|
|
|
|

 |
Voordat je begint:
Je hebt het volgende nodig:
- 2 grote dobbelstenen
- papieren cirkels
- kleine zwarte strookjes papier
- 2 rupsengezichtjes (zie voorbeeld)
- Deel de klas in 2 groepen. Elke groep krijgt
cirkels in drie verschillende kleuren. Laat een kind van elke
groep tegelijkertijd de dobbelsteen gooien. Kijk hoeveel elk
kind heeft gegooid. Stel vragen als: hoeveel heb jij gegooid, en
hoeveel heb jij gegooid? Wie heeft er meer, wie heeft er minder
gegooid? Laat dan beide kinderen de cirkels neerleggen,
afhankelijk van het aantal dat ze hebben gegooid. Als iedereen
een keer de dobbelsteen heeft gegooid bekijken we welke rups
langer is. Heeft de langste rups ook het meeste rondjes? Bepaal
door te tellen welke groep het meeste rondjes heeft en welke
rups daardoor ook het langst is.
Extra suggesties:
- Maak een reeks met de cirkels. (zie
bovenste rups)
- Laat de kinderen steeds een andere
kleur cirkel gebruiken als ze de dobbelsteen gooien. Het
is dan goed te zien hoeveel een kind gegooid heeft. Als
een kind van de andere groep hetzelfde doet maar hij
heeft minder gegooid dan is het verschil duidelijk te
zien.
- Voor de oudste kleuters kan de
opdracht moeilijker maken. Elke cirkel krijgt 2 voetjes
/ beentjes. Als je 2 cirkels hebt hoeveel beentjes
heb je dan nodig? Zelfs voor een groep 4 is deze
activiteit nog leuk omdat je de tafel van 2 toepast.
- Na deze activiteit kan je de
kinderen zelf een rups laten maken door cirkels te laten
knippen.
- Er is een werkblad beschikbaar die
ook te gebruiken is na deze activiteit. Zie de
downloadspage.
|
|
|
|
|
 |
Waar of niet waar:
- In de lente vallen alle blaadjes van de bomen.
- In de lente worden heel veel jonge dieren
geboren.
- In de lente moet je dikke kleren aan.
- In de lente groeien er heel veel bloemen.
- In de lente groeien er paddenstoelen.
- In de lente worden de schapen geschoren.
- In de lente houden alle dieren een winterslaap.
- In de lente mogen de koeien weer naar buiten.
- In de lente bouwen vogels een nestje.
- In de lente komen er knoppen in de bomen.
- In de lente is het buiten steeds langer licht.
- In de lente is vieren we Kerstmis.
- In de lente zijn alle bomen kaal.
- In de lente vliegen de vogels naar het zuiden.
- Na de lente komt de winter.
|
|
|
|
|
|
Raadsels:
- Ik ben klein, ik vlieg, en ik maak honing.
(bij)
- Ik was een rups, toen een cocon en nu ben ik een
.... (vlinder)
- Mijn mama heet een koe en ik heet een ....
(kalf)
- Van mijn vacht kan je een lekkere warme trui
maken. (schaap)
- Ik ben een bloem, en ik kan paars, wit of geel
zijn. (krokus)
- Als het lekker weer is mag zonder dit naar
buiten. (jas)
|
|
 |
Welk woord hoort er niet bij?
- krokus - kastanjeboom - hyacint - narcis
- olifant - schaap - varken - paard
- lente - winter - herfst - zomer - september
- ei - kip - vlinder - kuiken
- kat - kikker - vis - eend
- spin - rups - cocon - vlinder
- nest - vogel - ei - haan
- lammetje - big - paard - veulen
- wol - trui - schaap - katoen
- zwemmen - water - badpak - schaatsen
|