| |
Kringactiviteit 1
Woordkaarten:
- Gebruik de woordkaarten van dit thema en
laat de kinderen ze sorteren. Vraag aan de kinderen waarom deze
kaarten bij elkaar horen.
- Geef een beschrijving van een woordkaart en
laat de kinderen raden. Of laat de kinderen een beschrijving van
de kaart geven.
- Leg de kaarten neer op een rij en vraag de
kinderen goed te kijken. Daarna doen ze hun ogen dicht, je pakt
een kaart weg en de kinderen moeten zeggen welke kaart weg is.
- Leg de kaarten neer. Noem 3 of 4
woordkaarten en laat de kinderen de kaarten neerleggen in de
volgorde zoals jij het genoemd hebt.
- Sorteer de kaarten op dezelfde beginklank.
|
|
 |
Kringactiviteit 2
Raadseltjes:
- Ik ben groen en ik prik een beetje.
(kerstboom)
- Ik glans mooi en ik ben er in alle kleuren.
(kerstbal)
- Ik sta op de top van de boom en ik rijm op
ziek. (piek)
- Ik ben gezellig maar wel heet en gevaarlijk.
(kaars)
- In Amerika breng ik de kinderen cadeautjes
en ik heb een dikke buik. (kerstman)
- Ik breng de herders het goede nieuws, en ik
kom uit de hemel. (engel)
- Ik ben geboren in een stal en mijn moeder
heet Maria. (Jezus)
- Ik sta aan de hemel en ik rijm op ver.
(ster)
- Ik droeg Maria op mijn rug en ik ben grijs.
(ezel)
- Ik ben slap, ik glim en ik hang ook in de
kerstboom. (slinger)
|
| |
Kringactiviteit
3
Neem kerstballen echte
of plaatjes en sorteer deze met de kinderen op grootte of
kleur. Leg een rij neer van groot naar klein of van klein
naar groot.
|
|
 |
Kringactiviteit 4
- Neem verschillende soorten en maten
kaarsen en zet ze in je "kaarsenwinkel".
- Vraag aan de kinderen wat de dikste,
langste, kortste, dunste kaars is.
- Sorteer kaarsen van hoog naar laag.
|
| |
Andere ideeën:
- Maak in de kring beslag voor het maken van
kerstkransjes.
- Verzin woordjes die beginnen met kerst.
- Bespreek de letter K en verzin woordjes die
beginnen met de k.
- Lees het kerstverhaal voor en speel dit in de
klas uit met de kinderen.
- Neem een aantal verschillende kerstballen mee en
sorteer ze op kleur en grootte.
- Neem een aantal verschillende kaarsen mee en
bespreek ze op kleur, grootte, dikte
- Speel het associatiespel. Neem een woord, bv
boom, en de kinderen noemen iets wat er mee te maken heeft.
Bijvoorbeeld wortels, het volgende kind zegt dan iets wat met
wortels te maken heeft bv groente. Het volgende kind zegt dan weer
aardappels, het volgende kind patat, de volgende mayonaise etc.
- Je kan het spel ook spelen en dan bij de boom
blijven, dus tak, wortels, blaadjes, stam etc.
|
|