terug naar herfstindex

Achtergrondinformatie

herfst

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Spinnen

Spinnen lijken het meest op insecten. Het lichaam van een insect bestaat uit drie delen; een kop, een borststuk, en een achterlijf. Een spinnenlichaam bestaat  uit twee delen: een kopborststuk en een achterlijf. Het achterlijf zit met een dun steeltje aan het kopborststuk vast. Aan het kopborststuk zitten poten, ogen en kaken. Vleugels hebben spinnen niet. Ze hebben ook geen voelsprieten zoals insecten. Wel hebben ze iets wat erop lijkt: de palpen. Dat zijn twee kleine steeltjes aan allebei de kanten van hun mond waarmee de spin voelt. Een insect heeft zes poten en een spin heeft er acht. Hun poten zijn zeer elastisch en soepel. Iedere poot bestaat uit zeven dunne buisjes die met een soort scharnieren aan elkaar vastzitten. Die acht beweeglijke poten zijn heel geschikt om ermee over stenen, takken en grassprietjes te lopen. Spinnen kunnen er ook uitstekend mee over dunne draden lopen. Stapt een spin met een poot mis, dan heeft hij nog genoeg steun aan zijn andere poten.

De poten zijn meestal bedekt met allerlei haren en stekels. Daarmee kunnen spinnen ruiken en voelen.

Spinnen hebben geen skelet, zoals mensen, vogels en vissen. Hun huid bestaat uit chitini, een stof waarvan ook onze haren en nagels gemaakt zijn. Die huid geeft geen spinnen hun stevigheid. We noemen dat een ‘uitwendig skelet’ Mensen hebben een inwendig skelet.

Een chitinehuid groeit niet mee. Als een spin groeit, moet ze daarom af en toe vervellen. Die oude velletjes kun je vaak tussen het gras en op vensterbanken zien liggen. De nieuwe huid is wat ruimer dan de oude. Daaronder kan de spin iets groeien, voordat ze weer moet vervellen.

De ademhaling

Ademen doen spinnen met boeklongen. Die longen zijn van binnen sterk geplooid. De plooien lijken op de bladzijden van een boek. Vandaar de naam boeklongen. De boeklongen zitten in het achterlijf. Een spin ademt niet door haar mond, maar door twee spleten aan de onderkant van het achterlijf. Daardoor komt de lucht in de longen.

Ogen

 De meeste spinnen hebben acht ogen. Sommige hebben er zes, vier of twee. Enkele spinnen leven in grotten of holen. Zij hebben helemaal geen ogen. Spinnen hebben twee soorten ogen: hoofd-ogen en bij-ogen. Het verschil zie je aan de binnenkant. De hoofd-ogen zijn anders gebouwd dan de bij-ogen. Onderzoekers denken dat een spin met de hoofd-ogen beelden kan zien, net als zij mensen, maar dan wel veel minder fijn. Met de bij-ogen kan een spin waarschijnlijk alleen het verschil tussen donker en licht zien.

Spinnen die in een web leven, hebben kleine oogjes. Ze zien er niet goed mee. Maar dat is er ook niet nodig voor het bouwen van hun web of vangen van insecten.

Er zijn ook spinnen die over grond rennen op jacht naar insecten. Zij kunnen wel goed zien. Anders zouden ze nooit een prooi te pakken kunnen krijgen. Ze hebben grotere hoofd-ogen dan spinnen die ene web kunnen maken.

Het voedsel van de spin

Spinnen leven van vlees. Meestal van kleine diertjes zoals insecten of andere spinnen. Er is een spinnensoort die alleen pissebedden eet. De grote tropische vogelspinnen eten ook muizen, vogels en kleine slangen. Maar deze spinnen zal je niet zo gauw in je achtertuin vinden. Spinnen kunnen niet kauwen zoals wij. Daarom zuigt een spin haar prooi leeg. Maar daarvoor moet ze haar prooi eerst vloeibaar maken. Dat zoet ze met behulp van haar kaken. Aan het eind daarvan zitten twee vlijmscherpe gifklauwen. In elke gifklauw zit een dun kanaaltje. Daardoor spuit een spin gif in haar prooi. Die raakt dan verlamd en kan niet meer vluchten. Daarna spuit de spin bepaalde stoffen in haar slachtoffer.Die stoffen verteren de prooi. Dat betekent dat de prooi van binnen een soort soep wordt. De spin slobbert dit op. In spinnenwebben zie je vaak leeggezogen vliegen en muggen hangen. Zelf hoef je niet bang te zijn voor de gifklauwen van een spin. Zelfs een grote kruisspin kan met haar klauwen niet door jouw huid komen. En als dat wel zou lukken dan zou je er weinig van merken. In ons land leven geen spinnen die voor mensen gevaarlijk zijn. Alleen in de dierentuin.

Alle spinnen spinnen

Elke spin kan draden spinnen met behulp van een vloeistof in haar lichaam. Elke spin heeft vier, zes of acht spintepels. Een spintepel bevat honderden spinbuisjes. Uit deze buisjes komt een vloeistof, de spinstof geheten. Een spindraad is veel dunner dan een mensenhaar. Zo’n draad bestaat vaak uit heel veel dunnere draadjes. Net als een touw of een kabel. Daardoor is zo’n draad enorm sterk en elastisch. Een spindraad wordt voor verschillende dingen gebruikt. Spinnen maken er webben van, waarmee ze insecten vangen. Sommige spinnen maken struikeldraden. Een insect struikelt over de draden, waarna de spin het insect grijpt. Andere spinnen maken er een soort tunnel van waarin ze wonen. Zo’n woonbuis zie je wel eens in een schuur of tussen een stapel hout. Spinnen gebruiken de spindraden ook om hun prooi vlug in te pakken. Als een spin een prooi pakt, spuit ze er een groot aantal spindraden overheen. Dat gaat razendsnel. De prooi kan dan niet meer vluchten. Een spin kan zich ook aan een draad laten zakken. Dat is handiger als zij snel willen vluchten of snel ergens anders willen komen. Veel spinnen zorgen ervoor dat ze altijd een veiligheidsdraad maken tijdens het lopen. Vallen ze of springen ze mis, dan hangen ze altijd nog aan deze draad. Ze kunnen dan snel weer naar boven klimmen. Jonge spinnen gebruiken spindraden als een soort zweefvliegtuig. Ze maken een lange draad die door de lucht zweeft. Krijgt de wind er vat op dan worden de spinnetjes meegevoerd. In de herfst krijg je hun draden wel eens in je gezicht.

 

De bouw van een web

Hoe maakt een spin een wielweb? Eerst laat ze een draad in de wind zweven. Die draad wordt steeds langer. Als hij ergens tegenaan komt, bijvoorbeeld tegen een takje, dan kleeft de draad vast. Daarna loopt de spin over de draad en verstevigd hem met andere draden. In het midden bijt ze de draad door, terwijl ze aan een reservedraad hangt. De spin zakt daardoor een eind naar beneden. Dan maakt zij de draad weer vast en laat zich weer zakken. Zo ontstaat een Y-vorm. Vanuit deze drie draden maakt de spin de buitenste draden, de raamdraden. Vervolgens spant ze een aantal spaakdraden. Sommige soorten maken er ongeveer vijftien en andere meer dan zestig.Als de spaakdraden klaar zijn, gaat de spin naar het midden. Van daaruit loopt ze in een spiraalbeweging rond. Ondertussen spant ze een draad. Deze draad heet een hulpspiraal. Als ze de buitenkant van het web heeft bereikt, loopt de spin over de hulpspiraaldraad weer naar binnen. Nog steeds in spiraalbeweging. Nu maakt ze de kleefdraden. Dat zijn draden waarop kleine druppeltjes kleverige vloeistof zitten. Die vloeistof is soort lijm.

 Wachten op prooi

Als de spin klaar is, gaat ze ergens in het web zitten. Aan de kleefdraden blijven insecten kleven die in het web vliegen. Een vlieg die in een web gevangen wordt, wil natuurlijk ontsnappen.. Hij spartelt dus heftig. De spin voelt precies waar de vlieg in het web zit en loopt er zo snel mogelijk naar toe. Ze spuit met haar spintepels razendsnel een massa draden over de vlieg. Zo wordt de vlieg keurig ingepakt. Daarna bijt de spin de vlieg met haar gifklauwen, waardoor hij verlamd raakt. De spin keert naar haar plaatsje terug. Pas als ze honger heeft, gaat ze naar het pakketje toe. Omdat de vlieg nog leeft, bederft hij niet snel. Zo heeft een spin altijd een verse voorraad voedsel in het web.

 

 

     
  Slakken:

De slijmerige, langzame huisjes- en naaktslakken horen tot de groep gastropoden, wat buikpotigen betekent. Het lijkt of deze dieren op hun buik glijden, maar in werkelijkheid is de onderkant zelf een speciaal orgaan waarmee ze zich voortbewegen. Er zijn ongeveer 70 000 soorten slakken die allen tot deze groep van weekdieren behoren. Tot deze groep behoren ook de schelpdieren en inktvissen. Naast de bekende landslakken zijn er ook zeegastropoden zoals de posthoornslak.

Huisjesslakken en naaktslakken hebben dezelfde vorm, maar naaktslakken hebben geen schelp. Beide hebben tentakels op hun kop met ogen aan de uiteinden. Ze hebben zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. De meeste slakken kruipen weg en houden in koude of droge jaargetijden een winterslaap. Tijdens deze winterslaap sluiten huisjesslakken de opening van hun huisje af met een vlies van opgedroogd slijm.
 

Tuinslakken en naaktslakken

Het huisje van de slak beschermt het dier tegen vijanden en voorkomt dat zijn zachte, vochtige lichaam uitdroogt. De schelp bestaat uit kalk en andere mineralen. Als de slak groeit maakt hij zijn huisje groter. De raspachtige tong van de slak wordt radula genoemd. Op zo'n tong zitten wel 100 000 hele kleine tandjes waarmee de slak plantaardig voedsel afschraapt.

Naaktslakken zijn niet erg geliefd bij tuinders omdat ze ernstige schade aan groenten toebrengen. De meeste naaktslakken hebben geen schelp, sommige hebben een hele kleine schelp op de rug. Om uitdroging te voorkomen leven naaktslakken op vochtige plaatsen of komen alleen 's nachts of na een regenbui te voorschijn.
 

Voortplanting

Na de paring legt de slak eieren in klompjes of afzonderlijk, in slijm. De jonge slakjes komen na 2 tot 4 weken uit de eieren.

Slakken maken verschillende soorten slijm. Als de slak kruipt, laat ze een slijmspoor achter. Een ander soort slijm wordt geproduceerd als ze wordt aangevallen door een vijand. Een slak beweegt zich voort door golvende spiersamentrekkingen in haar voet.

 
     
  De egel:

De egel heeft een dikke spierkap met een stekeldragende huid op zijn rug die bij het oprollen zijn hele lijf verbergt. Dit oprollen doet hij door de spierkap samen te trekken als een zak over zijn lijfje, de pennen richten zich op. Zo wordt hij een stijve, stekelige bal. De west europese egel heeft bij de geboorte ongeveer 100 stekels, met drie weken ongeveer 2000, een volwassen exemplaar 6000 tot 8000 stekels. Een gezonde, volgroeide egel weegt tussen de 800 en 1200 gram. Andere insecteneters zijn o.a. mollen en spitsmuizen.
Dit zijn zoogdieren met een spitse snuit en scherpe tandjes. Een stekelvarken is, in tegenstelling wat veel mensen denken, geen familie van de egel. Een stekelvarken is een knaagdier.

Voeding:

Egels zijn voornamelijk insecteneters. Een egel die in de natuur eet voedt zich met rupsen, larven, wormen, pissebedden, slakken, oorwurmen, mieren, spinnen, enz. Maar soms ook een zieke  of dode muis. Een nest muizen, kikkers, padden  zelfs af en toe bijen en wespen. Door hun goede reukvermogen en hun goede gehoor weten ze al deze prooidieren op te sporen. Egels maken een hoop herrie onder het eten. Ze smakken en snuiven er op los. Na het ontwaken uit de dagslaap snuffelt de egel voortdurend rond. Hij ruikt in de lucht, aan boomstammen en woelt mos en bladeren om met zijn poten en zijn natte neus. (Zo worden zijn reukslijmvliezen vochtig gehouden). Snel bewegende dieren (hagedissen, muizen) worden dood geschud. Kauwen doet hij luid smakkend.

Geef een egel nooit melk.

Een egel kan de lactose die in melk zit niet afbreken. Hij krijgt ernstige diaree en zal door uitdroging sterven. Zet liever wat water neer. Ook lusten egels graag poezenvoer (blik of droge brokjes.) Dit eten krijgen ze ook in de egelopvang.

Voortplanting:

Na 9 tot 11 maanden zijn de  egels in staat zich voort te planten. Het vrouwtje zal eerst van het mannetje niets willen weten, maar een beetje egel laat zich niet afschrikken. Ze zal hem met de stekels te lijf gaan en rondjes lopen, tot ze in kringetjes langs elkaar lopen; een egel carrousel. Wanneer een ander mannetje zo dom is zich hierin te mengen zal hij snuivend worden weggejaagd, waarna hij gauw weer naar zijn egelin gaat, als zij er tenminste niet vandoor is. Uiteindelijk, na soms wel 2 dagen, komt het tot een paring. Het wijfje drukt zich tegen de grond en legt al haar stekels plat. Ze doet haar achterpootjes iets omhoog, waarna het mannetje haar beklimmen kan. Zo wordt de paring in enkele seconden voltrokken. Samen betrekken ze de woning van het wijfje. Na ongeveer 35 dagen vóór de geboorte van de jongen jaagt de egelin hem er net zo snel weer uit. Hoewel sommige boeken ook wel schrijven dat de man na de paring meteen vertrekt. Overigens heeft dit niets te maken met ontrouw maar hij schakelt zich zelf uit als voedsel concurrent.

De jongen worden tussen mei en september geboren.  Soms krijgt een wijfje 2 maal een nest. In mei of juni en in augustus of september. Meestal zijn het 5 tot 7 jongen. Jongen hebben gesloten oren en ogen en zijn volkomen kaal. De huid bevat veel water en de stekels liggen in dit ‘kussen’ ingebed. Bij de geboorte zouden ze anders de moeder kunnen beschadigen. Binnen 24 uur verliest de huid veel water en verschijnen er witte stekelpunten. Na 36 tot 60 uur verschijnen de punten van de donkere lichtgeringde pennen. Met ongeveer drie weken gaan de ogen en oren open. De egeltjes zijn nu behaard en bestekeld. In de 6e week vallen de eerste witte stekels weer uit. Na 6 weken moeten ze minimaal 300 gram wegen. Tegen het einde van de derde week verlaten ze af en toe het nest en later volgen ze de moeder en gaan ze ook voedsel zoeken. Rond deze tijd krijgen ze ook een melkgebit. Als de jongen zelfstandig zijn, na bijna 3 maanden verdrijft de moeder ze. Egels wisselen hun melkgebit na 2 tot 3 maanden voor een blijvend gebit. In de bovenkaak zitten 20 en in de onderkaak 16 tanden.

De winterslaap

Egels beginnen hun winterslaap als het koude jaargetijde aanbreekt. Het voedsel raakt dan op. Wanneer zij wakker worden (± april) is er weer volop eten. Egels zijn de enige echte winterslaper onder de insecteneters. In de maanden voorafgaand aan de winterslaap heeft de egel flink wat voedsel tot zich genomen, zodat hij vetreserves heeft om de winterslaap door te komen. De egel rolt zich in november/ december op en gaat slapen. Hij teert op zijn vetreserves. Zijn lichaamstemperatuur daalt van ± 35°C tot ± 5.0°C, de hartslag daalt naar ± 9 slagen per minuut en de ademhaling gaat naar ± 3 keer per minuut. Een egel die midden in de winter wakker wordt gemaakt zal dood gaan zijn lichaamstemperatuur zal stijgen en zijn overreserves worden allemaal aangesproken. Hij vindt niet meer genoeg voedsel om zijn verbruikte energievoorraad aan te vullen.

 

JavaScript DHTML Drop Down Menu By Milonic
(c) JufSanne.com lesideeën voor het basisonderwijs, boekentips, versjes, traktatie-ideeën, werkbladen,
stempelkaarten, knutsels, lesidee per thema voor PABO studenten, leraren, juffen, meesters maar ook ouders en kinderen ...