Gebruik de woordkaarten van dit thema en
laat de kinderen ze sorteren. Vraag aan de kinderen waarom deze
kaarten bij elkaar horen.
Geef een beschrijving van een woordkaart en
laat de kinderen raden.
Leg de kaarten neer op een rij en vraag de
kinderen goed te kijken. Daarna doen ze hun ogen dicht, je pakt
een kaart weg en de kinderen moeten zeggen welke kaart weg is.
Leg de kaarten neer. Noem 3 of 4
woordkaarten en laat de kinderen de kaarten neerleggen in de
volgorde zoals jij het genoemd hebt.
Sorteer de kaarten op dezelfde beginklank.
Gebruik de echte bloemenwoordkaarten en de
getekende versie en laat de kinderen dezelfde zoeken.
KRINGACTIVITEIT2
Raadsels:
Ik ben klein, ik vlieg, en ik maak honing. (bij)
Ik was een rups, toen een cocon en nu ben ik een
.... (vlinder)
Mijn mama heet een koe en ik heet een ....
(kalf)
Van mijn vacht kan je een lekkere warme trui
maken. (schaap)
Ik ben een bloem, en ik kan paars, wit of geel
zijn. (krokus)
Als het lekker weer is mag zonder dit naar
buiten. (jas)