 |
Kringactiviteit 1
Woordkaarten:
- Gebruik de woordkaarten van dit thema en
laat de kinderen ze sorteren. Vraag aan de kinderen waarom deze
kaarten bij elkaar horen.
- Geef een beschrijving van een woordkaart en
laat de kinderen raden.
- Leg de kaarten neer op een rij en vraag de
kinderen goed te kijken. Daarna doen ze hun ogen dicht, je pakt
een kaart weg en de kinderen moeten zeggen welke kaart weg is.
- Leg de kaarten neer. Noem 3 of 4
woordkaarten en laat de kinderen de kaarten neerleggen in de
volgorde zoals jij het genoemd hebt.
- Sorteer de kaarten op dezelfde beginklank.
|
| |
|
|
|
Kringactiviteit 2
Raadsels:
- Ik ben wollig en ik kan wit, bruin of zwart zijn. (schaap)
- Ik ben dol op gras en mijn kindje heet een kalf. (koe)
- Ik rol graag in de modder en ik ben ook moddervet. (varken)
- Ik leg elke dag een ei, ik heb veren en 2 poten. (kip)
- Ik werk op de boerderij, ik geef de dieren te eten en rijd op
mijn tractor. (boer)
- Ik heb benen, manen en een hele lange staart. Als ik ren heet
dat galopperen. (paard)
- In de ochtend maak ik iedereen wakker met mijn roep. (haan)
- Mijn moeder broedt 21 dagen en dan kruip ik eruit. (kuiken)
|
| |
|
|

 |
Kringactiviteit 3
Rekenactiviteit,
Je hebt nodig:
boerderijdieren van elke soort meerdere dieren.
Verzamel de dieren en sorteer ze met de kinderen. Bekijk dan
waar je het meeste van hebt en waar het minste. Laat de
kinderen een briefje met een cijfer erop maken en dit cijfer
neerleggen bij het dierensoort. Maak van blokjes of kapla
hokken en varieer in de grootte van de hokken. Bekijk met de
kinderen in welk hok de meeste dieren zullen passen en in
welk hok de minste.
|
| |
|
|
|
Kringactiviteit 4
De kinderen
gaan zeggen hoeveel keer ze een dierengeluid horen. de leerkracht zegt
bijvoorbeeld, de kip zegt tok, tok, tok, tok. Je vraagt aan het kind
hoeveel keer zei ik tok? Je kan dit herhalen met:
- de koe zegt: boe, boe
- de eend zegt: kwak, kwak, kwak, kwak,
kwak, kwak
- het paard zegt: hi, hi, hi, hi, hi
- het varken zegt: knor, knor, knor
- de poes zegt: miauw
- De hond zegt: woef, woef, woef, woef
- de geit zegt: mè, mè, mè, mè, mè,
- het schaap zegt: bè, bè, bè, bè, bè, bè,
|
| |
|
|
|
|
|